De fiscale en andere punten uit het regeerakkoord Rutte III samengevat

16 oktober 2017
/ /
Comments Closed
/

De fiscale en andere punten uit het regeerakkoord Rutte III samengevat

16 oktober 2017
/ / /
Comments Closed

Kubus heeft voor u de belangrijkste fiscale punten uit het regeerakkoord 2017-2021 van het kabinet-Rutte III samengevat.

Inkomstenbelasting

Er komt een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Voor AOW-gerechtigden blijven drie schijven bestaan. Het eindpunt van de huidige derde schijf (de eerste schijf in de nieuwe tariefstructuur) wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op niveau 2018 (ca. €68.600). Het box 2-tarief wordt in stappen verhoogd van 25% naar 28,5% in 2021.

 

Box 3 wordt aangepast. Binnen de huidige systematiek wordt (gemiddeld) sneller aangesloten bij het werkelijke rendement door voor het rendement over het spaargedeelte uit te gaan van de gemiddelde spaarrente. Het heffingsvrije vermogen wordt verhoogd naar €30.000 (€60.000 voor paren).

De heffingskorting wordt verhoogd met circa €350 in 2021 en de ouderenkorting met circa €160 maar wordt tegelijkertijd geleidelijk aan inkomensafhankelijk afgebouwd.

De opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting begint later en de vaste voet verdwijnt. Het opbouwpercentage wordt verhoogd naar 11,45% waardoor de maximale korting gelijk blijft en eerder wordt bereikt. Het recht op arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting bij ZW-uitkeringen van uitkeringsgerechtigden zonder dienstverband wordt afgeschaft. De onbelaste vrijwilligersvergoeding van €1500 per kalenderjaar wordt verhoogd met €200. De aftrekpost voor scholingskosten wordt vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben gehaald.

Hypotheekrente

Het percentage waartegen hypotheekrente mag worden afgetrokken wordt in stappen van 3%-punt per jaar verlaagd totdat het basistarief is bereikt. De opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt volledig gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door verlaging van het eigenwoningforfait.

In 2020 wordt het aftrektarief waartegen aftrekposten aftrekbaar zijn voor alle aftrekposten gelijkgetrokken met het dan geldende aftrektarief van de hypotheekrente en met 3%-punt per jaar naar het basistarief afgebouwd. Het aftrektarief komt in 2021 uit op 43%.

Het deel van de opbrengst dat voortkomt uit een verlaging van de hypotheekrenteaftrek  wordt gebruikt om het eigenwoningforfait te verlagen met 0,15%. Geleidelijk wordt ook de afschaffing van de wet Hillen in twintig jaar met gelijke stappen afgeschaft. Deze termijn is inmiddels na de hierover ontstane commotie (invoering van de “aflosboete”) aangepast van twintig naar dertig jaar. De maximale hypotheekschuld wordt stapsgewijs afgebouwd tot maximaal de waarde van de woning.

Vennootschapsbelasting (Vpb)

De tarieven in de vennootschapsbelasting gaan in stappen van 20% en 25% naar 16% en 21 % per 2021. Om een sterke aanzuigende werking naar de BV te voorkomen en om een globaal evenwicht te houden in belastingdruk wordt het box 2-tarief in stappen verhoogd van 25% naar 28,5% in 2021. De stapsgewijze verlenging van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting van €200.000 naar €350.000 (vanaf 2018, vastgelegd in Belastingplan 2017) wordt teruggedraaid waardoor de schijfgrens ook na 2017 €200.000 bedraagt. Momenteel is een verlies in de vennootschapsbelasting verreken baar met de winst van het voorafgaande jaar (carry back) of de negen komende jaren (carry forward). De carry forward wordt beperkt tot zes jaar.

De innovatie box kent nu een effectief tarief van 5%. Dit wordt verhoogd naar 7%.

Vpb-ondernemers mogen een gebouw in eigen gebruik afschrijven tot maximaal 100% van de WOZ-waarde (momenteel kan er worden afgeschreven tot 50% van die waarde).

Dividendbelasting

De dividendbelasting wordt afgeschaft. Directe beleggingen in vastgoed door beleggingsinstellingen zijn niet meer toegestaan in verband met het afschaffen van de dividendbelasting.

Omzetbelasting

Het verlaagde btw-tarief wordt verhoogd van 6% naar 9%. Er komt hiervoor compensatie via de reguliere loon- en prijsontwikkelingssystematiek.

Loonbelasting

De looptijd van de 30%-regeling (voor naar Nederland uitgezonden ex-pats) wordt verkort van acht naar vijf jaar. Na evaluatie van de huidige tijdelijke “gebruikelijk-loonregeling” zal het kabinet bezien of de regeling moet worden aangepast. Daarbij zal ook worden bezien of de regelgeving ten aanzien van het uitbetalen in aandelen voor start-ups en scale-ups moet worden verruimd.

Vliegbelasting

Ingezet wordt op Europese afspraken over belastingen op luchtvaart in het kader van de voor 2019 geplande onderhandelingen over de klimaatdoelen van “Parijs”. Ook wordt bezien of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen mogelijk is. Indien beide routes onvoldoende opleveren zal er per 2021 een vliegbelasting worden ingevoerd.

Personen- en familierecht

Vanaf 1 januari 2018 is de beperkte gemeenschap van goederen het nieuwe wettelijke uitgangspunt voor personen die in het huwelijk treden. Bezien wordt op welke manier de noodzaak tot het maken van notariskosten kan worden weggenomen voor paren die in algehele gemeenschap van goederen willen trouwen.

Pensioen

Voortbouwend op de werkzaamheden en rapporten van de SER wil het kabinet het pensioenstelsel hervormen tot een meer individueel pensioenvermogen. Voor alle contracten wordt een leeftijdsonafhankelijke premie verplicht en krijgen de deelnemers een opbouw die past bij de ingelegde premie. Sociale partners ontwikkelen een nieuw pensioencontract. Het wordt in de toekomst dus mogelijk om in de opbouwfase van het pensioen, de vermogensopbouw in de eigen woning te integreren met de vermogensopbouw in het pensioen.

Arbeidsmarkt

De transitievergoeding wordt meer in balans gebracht. Ten eerste krijgen werknemers vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding in plaats van pas na twee jaar. Ten tweede gaat voor elk jaar in dienstverband de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan tien jaar. De overgangsregeling voor 50-plussers wordt gehandhaafd. De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding wordt verruimd.

De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd van twee naar drie jaar. De mogelijkheden voor een langere proeftijd worden verruimd om het aangaan van een contract voor onbepaalde tijd aantrekkelijker te maken voor werkgevers. “Payrolling” als zodanig blijft mogelijk, maar wordt zodanig vormgegeven dat het een instrument wordt voor het “ont zorgen” van werkgevers en niet om te concurreren op arbeidsvoorwaarden.

Het kabinet komt met een wetsvoorstel waarin het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard, werknemers qua (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener, en de definitie van de uitzendovereenkomst ongemoeid blijft.

Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van het vast contract.

Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft aan te nemen, wordt de loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) verkort van twee naar één jaar. Tevens wordt de periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA verkort van tien jaar naar vijf jaar.

Uitbreiding partnerverlof bij geboorte naar vijf dagen per 1 januari 2019. Daarbovenop krijgen partners aanvullend kraamverlof van vijf weken per 1 juli 2020.

Voor EU-arbeidsmigranten tellen op dit moment gewerkte weken in het land van herkomst ook mee in de opbouw van WW. Nederland wil een wachttijd introduceren van 26 weken, zodat ook voor arbeidsmigranten geldt dat zij 26 weken in Nederland gewerkt moeten hebben om in aanmerking te komen voor WW.

De Wet DBA (deregulering beoordeling arbeidsrelaties)

De Wet DBA wordt vervangen. Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief (tot 125% minimumloon) in combinatie met een langere duur van de overeenkomst (langer dan 3 maanden) of een laag tarief, in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandige ondernemers een “opting out” voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd, indien er sprake is van een hoog tarief (hoger dan €75 per uur) in combinatie met een kortere duur (korter dan 1 jaar ) van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.

Voor zelfstandigen boven het “lage” tarief wordt een “opdrachtgeversverklaring” ingevoerd. Opdrachtgevers krijgen deze verklaring via het invullen van een web module. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Het huidige handhavingsmoratorium wordt na invoering van de bovenstaande maatregelen gefaseerd afgebouwd. Na invoering van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid.

Kubus Doesburg RB. mr. H.J. Rosenboom RB.